Definities

Tijdens mijn tocht kom ik woorden tegen die niet altijd gemakkelijk te begrijpen zijn. Daarom starte ik deze lijst met definities om op terug te vallen.

Individu

Geestelijk = mentaal = wat het denken, voelen en willen betreft. Alles wat niet fysiek is maar met de psyche te maken heeft, met betrekking tot de hersenen, verstandelijk.
Spiritueel = onlichamelijk, onstoffelijk, tot de ziel behorende, godsdienstig, gericht op het geestelijke.
Ego = ons rationele, bewuste brein dat de controle heeft, plant op lange termijn, is realistisch en strategisch en probeert ons leven in de juiste richting te sturen.
Es = het innerlijke kind: verantwoordelijk voor basisinstincten, verlangens en driften als vermijden van pijn, nood aan veiligheid, liefde en plezier, eten en drank, warmte en onderdak…
Super-ego = de innerlijke cricitus: geïnternaliseerde waarden en normen van ouders, opvoeders en maatschappij. Heeft hoge standaarden en levert kritiek wanneer daar niet aan voldaan wordt.

Groepen

Dogma = leerstelling die als onbetwistbaar wordt beschouwd door een groep. Een fundamenteel concept ter onderbouwing van een gedachtegoed. De aanhangers worden geacht dit nooit te betwijfelen. Vaak veroordelend gebruikt als een denkbeeld door anderen niet betwijfeld wordt, terwijl ze dat naar het oordeel van de spreker/schrijver wel zouden moeten doen.
Dogmatisch persoon/groep = duidt op onbuigzame geloofsovertuigingen van een persoon/groep die niet openstaan voor rationele argumenten.
Paradigma = zienswijze = manier van kijken naar de actuele werkelijkheid vanuit een bepaald standpunt of oriëntatie. Denkkader van waaruit de werkelijkheid geanalyseerd wordt. Lang bestaande paradigma’s worden vaak niet meer bewust beleefd. Onderwijs maakt een paradigma vanzelfsprekend.
een samenhangend stelsel van waarden die een denkkader vormen van waaruit de ‘realiteit’ geanalyseerd en benaderd wordt.
Stigma = schandvlek/brandmerk dat aan een persoon/groep/zaak wordt gekoppeld. Kan ook een vooroordeel zijn dat leeft bij een bevolkingsgroep.
Ideologie = geheel van ideeën over de mens, menselijke relaties en de inrichting van de maatschappij, dat leeft binnen een groep (politieke partij, denkstroming of sociale klasse).
Idioom = taaleigen = specifieke eigenaardigheden van een taal.

Filosofie

Moraliteit = moraal (of zeden) = handelingen en gedragingen die in een maatschappij als correct/wenselijk worden gezien. Iets immoreel gaat in tegen de wetten van de ethiek.
Ethiek = moraalfilosofie = moraalwetenschap = bezint kritisch over het juist handelen. Ethiek probeert criteria vast te stellen om te kunnen oordelen of een handeling goed of fout is en om de motieven en consequenties van deze handeling te kunnen evalueren.
Natuurfilosofie = voorloper van natuurwetenschappen, die de stoffelijke wereld bestudeert.
Monisme = filosofisch standpunt dat zegt dat er slechts een van iets is.
Dualisme = filosofisch standpunt over de relatie tussen materie en het immateriële (de menselijke geest). Aannemen van het bestaan van twee tegenover/naast elkaar staande grondbeginselen ter verklaring van anders onbegrijpelijke tegenstellingen.
Fatalisme = gaat er vanuit dat de mens geen invloed heeft op zijn lot. Geloof dat elke handeling/daad van de mens op voorhand vastligt.
Determinisme = stelt dat een gebeurtenis niet willekeurig is, maar een reden heeft.
Indeterminisme = er zijn gebeurtenissen die niet niet het resultaat zijn van oorzakelijke gebeurtenissen omdat er vrije wil is.
Epistemologie = kennistheorie = onderzoekt de aard, oorsprong, voorwaarden voor en reikwijdte van kennis. Benadert vanuit logica. Hieronder vallen o.a. fenomenologie en wetenschapsfilosofie. Centrale vragen: Wat is kennis? Wat kan ik weten? Hoe wordt kennis vergaard? Epistemologie onderzoekt ook zaken als overtuiging, waarneming, waarheid, enz.
Fenomenologie = gaat uit van de directe/intuïtieve ervaring van fenomenen. Hieruit probeert men de essentie af te leiden van wat men ervaart. Gaat dus niet uit van bepaalde vooronderstellingen en is vrij van theorieën die verschijnselen causaal met elkaar in verband wil brengen.
Metafysica = onderzoekt de werkelijkheid niet via zintuiglijke waarneming (fysica) maar gaat op zoek naar het wezen van de werkelijkheid en wat haar vormgeeft. Wetenschap gaat uit van een zekere aanname over de aard van de werkelijkheid, metafysica ligt aan de grondslag hiervan.
Pragmatisme = focus op het verbinden van praktijk met theorie.
Pragmatische theorie van de waarheid = een opvatting is waar is als het in de praktijk werkt. Waarheid wordt gedefinieerd in termen van praktisch nut en maatschappelijk voordeel. Waarheid evolueert mee met inzichten van de samenleving.
Pragmatisme in dagelijkse leven = handelingen/ideeën die effectiviteit bovenstellen aan theoretische/morele overwegingen.
Emperisme = stelt dat kennis uit ervaring voortkomt en dus niet uit aangeboren kennis (innatisme). Dit in tegenstelling tot rationalisme.
Rationalisme = wijst rede en denken aan als voornaamste kennisbron, ziet de werkelijkheid als een redelijke en logische structuur die met het verstand (denken) kan gelezen worden.
Solipsisme = idee dat er maar een enkel bewustzijn bestaat: dat van de waarnemer. Het hele universum en alle andere personen, bestaan slechts in de geest van de waarnemer. De epistemologie zegt hierover: kennis is slechts mogelijk van het eigen bewustzijn, van andere menselijke geesten kan men nooit iets weten.
Ontologie = zijnsleer, beschrijft de eigenschappen of het zijn van het geheel van dingen (‘zijnden’ genoemd) waarvan aangenomen wordt dat ze bestaan of zijn.

Religie

Theologie = godsleer. Overwegend gebruikt voor de studie van de geloofsinhoud van het christendom.
Openbaring (religie)
= God die zichzelf bekendmaakt aan de mensen door een gebeurtenis, een tekst of een profeet.
Openbaring (filosofie) = de letterlijke betekenis van een zogenaamd ‘heilig boek’ (Bijbel, Koran…) achterhalen.
Profetie = ‘voor iemand anders spreken’. Vaak een voorspellende uitspraak over toekomstige gebeurtenissen.
Transcendentie = overstijging. Ofwel een eigenschap van God(en), ofwel door mystieke ervaringen het bovennatuurlijke ondervinden.
Esoterie
= kennis over het individu en de kosmos die slechts voor ingewijden toegankelijk is (exoterie = kennis voor iedereen toegankelijk), vaak met een eigen leer en methodiek. Studie van alternatieve religieuze filosofieën met eigen overtuigingen, praktijken en ervaringen die zich onderscheiden van de geïnstitutionaliseerde religieuze tradities. Voorbeelden: alchemie, astrologie, gnosticisme, hermetisme, kabbala, magie, mystiek, neoplatonisme, occulte bewegingen, geheime genootschappen, christelijke theosofie.

Geloofsovertuigingen

Atheïsme = zonder god, afwezigheid van geloof in een of meer goden. Daarnaast kan atheïsme ook de verwerping van iedere vorm van religiositeit inhouden. In ruime zin valt ook het agnosticisme hieronder. Kortom: alle ongeloofsposities.
Agnosticisme = bedenking dat kennis van een god niet zeker kan zijn, omdat deze niet op een wetenschappelijke manier te bewijzen is. Een agnost heeft geen overtuiging heeft jegens het wel of niet bestaan van een god.
Gnosticisme/gnostiek = verwerving van kennis en inzicht in de oorsprong, huidige situatie en bestemming van de mens. Vaak in verband gebracht met het christelijke geloof. Kerngedachte: mens heeft een goddelijke kern maar die kern zit gevangen in een lichamelijk omhulsel (=demonische kracht). Zelfkennis valt samen met godskennis.
Pantheïsme = levensbeschouwing die ervan uitgaat dat alles en iedereen goddelijk is. God is alomvattend (universa, natuur en God zijn identiek).

Politiek, Economie, Maatschappij

Conservatisme = gebaseerd op behoud en traditie. Kritisch op tegenover het idee van de maakbaarheid van de samenleving, en dus kritisch tegenoverzoals ideologieën als moderniteit, liberalisme en socialisme.
Status quo = een bereikte toestand/situatie die al dan niet in stand dient te worden gehouden. Vooral de conservatieve politiek wil “de status quo handhaven”.
Homeostase = sociaal systeem dat in evenwicht wil blijven via zelfregulering op basis van het moreel besef en gedragsnormen van de leden in het systeem. (In tegenstelling tot evenwicht dat gehandhaafd wordt door derden die externe regels opleggen en het systeem verstoren.)
Progressivisme = gebaseerd op vooruitgang, vaak beschouwd als tegenhanger van conservatisme.
Liberalisme = wil burger emanciperen, invulling verschilt per land en cultuur. Wil individuele vrijheid zonder andermans vrijheid te beperken.
Socialisme = gebaseerd op gelijkheid, sociale rechtvaardigheid en solidariteit. Het collectief (al dan niet belichaamd door overheid/staat) heeft de hoogste beslissingsbevoegdheid over de verdeling van macht en goederen.
Kapitalisme = investeringen van private middelen (geld) waarbij a.h.v. loonarbeid meerwaarde wordt gecreëerd om winst te maken. Grote juridische vrijheid, concurrentie,  efficiëntie, herinvesteren leidt tot kapitaalaccumulatie, vrije markt met beperkte overheidsrol.
Marxisme = gebaseerd op de ideeën van Karl Marx. Idee: de sociale orde van de kapitalistische maatschappij drukt de belangen uit van de machthebbers, die de eigendom van de productiemiddelen in handen hebben = uitbuiting volgens Marx, daarom moet kapitalisme plaats maken voor communisme.
Communisme = ideologie gericht op oprichting van een klasseloze, staatloze en socialistische samenleving, gebaseerd op gemeenschappelijke eigendom van de productiemiddelen. Iedereen produceert naar vermogen en neemt naar behoefte.
Anarchisme = “geen heerser”, streven naar situatie/samenleving zonder hogere macht/autoriteit. Idee: een individu erkent geen ondergeschiktheid áán/ván iets/iemand. Anarchisme in omgangstaal = chaos, wanorde, verwarring

Wetenschap, Psychologie

Antropologie = menskunde = mensleer = bestudeert de mens in al zijn aspecten (fysiek, cultureel en sociaal gedrag) Een aantal onderverdelingen zijn: biologische, linguïstische, sociale antropologie en archeologie.
Emergentie =  begrip dat met name centraal staat in de systeemtheorie en de wetenschapsfilosofie. Betreft de ontwikkeling van complexe georganiseerde systemen, die bepaalde eigenschappen vertonen die niet herleidbaar zijn door louter een reductie van hun samenstellende delen. Door interactie ontstaan eigenschappen, patronen, regelmatigheden en/of geheel nieuwe entiteiten.
Piramide van Maslow = ordening van menselijke behoeftes door psycholoog Abraham Maslow: 1/ lichamelijke behoeften (slaap, voeding, warmte, comfort, beweging…), 2/ veiligheid en zekerheid (in kleine of grote groep, sociale zekerheid…), 3/ sociaal contact (vriendschap, liefde…), 4/ erkenning, waardering en zelfrespect, 5/ zelfverwezenlijking of zelfactualisatie (persoonlijkheid en mentale mogelijkheden ontwikkelen), 6/ zelftranscendentie.
Zelfactualisering = verschijnsel dat mensen zich verder willen ontwikkelen dan de basisbehoeften (volgens de piramite van Maslow). Men wil het beste uit zichzelf halen en mogelijkheden optimaal benutten.
Singulariteit =punt met oneindig klein volume en oneindige grote dichtheid. Ruimte-tijd is zo sterk gekromd, dat ze ophoudt te bestaan. Hier zijn de natuurkundige wetten dus niet meer geldig.

Advertenties

WordPress.com.

Omhoog ↑

Maak je eigen website aan bij WordPress.com
Aan de slag
%d bloggers liken dit: